

De Romaanse voorloper van de huidige gotische kerk had reeds een kerkorgel. De stadsrekeningen over 1400 en 1401 vermelden betalingen aan de organist. Als in 1430 de gotische kerk wordt ingewijd wordt het bestaande orgel in de nieuwe kerk geplaatst. Waarschijnlijk is het oude instrument niet groot genoeg geweest voor de grotere nieuwbouw. In oktober 1516 wordt begonnen aan de bouw van een nieuw orgel. Wie het bouwde is onbekend. Het wordt in gebruik genomen op 25 maart 1519. Vanaf 1516 is de organist in dienst van de magistraat van de stad Venlo. Dit zal zo blijven tot in de Franse tijd, 1797. Na 1519 bezit de St. Martinus dus twee orgels, een klein en een groot. Als er in 1529 een nieuw groot orgel in opdracht gegeven wordt, dat in 1531 in gebruik wordt genomen, wordt het oude, 15de eeuwse instrument, gesloopt. “In 1534 heet het “dat groete orgel”. Het zou om een groot 2 of 3 manuaals instrument gaan met een trompet. Na onrustige tijden ten gevolge van belegeringen en onderbrekingen van de katholieke eredienst, doordat de stad onder protestants bewind gekomen was, worden er in 1593 groot onderhoud en de nodige reparaties verricht door Albert Kiespenning. In 1607 wordt er door frater Andreas - een Kruisheer ? - opnieuw aan het orgel gewerkt en worden verzakte loden frontpijpen vervangen, terwijl men in 1611 - 1613 de windvoorziening van spaarbalgen voorziet. Joachim Verheyden uit Venray reviseert het kleine orgel in 1625 en brengt een nieuwe windvoorziening aan. In 1659 wordt dit orgel gesloopt.
In 1630 wordt er bij Jan Morlet III uit Arnhem een groot nieuw orgel besteld. Dit orgel wordt nooit te Venlo geplaatst. De onzekere militaire en politieke situatie verhindert dit. Het orgel komt terecht in de Oude Kerk van Delft, waar het tot 1856 heeft gestaan. Over deze gang van zaken deelt Morell in Delft mee : “Gemaect voor die van Venloo”. In 1659 is de tijd dan rijp voor de aanschaf van een nieuw groot orgel. Het contract daarvoor wordt gesloten in 1659. Het orgel wordt in 1659-1660 gebouwd door Andries Severin. Het is een orgel met 48 toetsen, 3 blaasbalgen, 14 stemmen in de toonhoogte a-415,3. Tussen 1690 en 1794 vonden regelmatig de gebruikelijke reparaties plaats, o.a. aan de blaasbalgen. Bij de restauratie van 1838 blijkt er ineens een aangehangen pedaal aanwezig te zijn en is het aantal stemmen 15. Het is onbekend wanneer en door wie deze wijzigingen ten opzichte van de dispositie van Severin hebben plaatsgevonden. Mogelijk is dat gebeurd tijdens de grote reparatie door Mr. Braedts in 1763. In 1804 werd de schade ten gevolge van de Franse bezetting gerepareerd door Arnold Graindorge uit Luik. Het aantal toetsen wordt dan naar 56 gebracht, de registertechniek wordt vervangen en de toonhoogte naar a-435 gebracht. In 1850 klaagt de organist over de toestand van het orgel. Lekkages in de windladen zorgen ervoor dat het instrument geen stemming meer houdt. Via noodoplossingen in 1856 en 1863 door de Gebr. Franssen uit Horst en vanaf 1863 door de organist, Theodorus Hubertus Messemaeckers ( 1824 - 1899) zelf, probeert men zo goed en zo kwaad mogelijk het orgel bespeelbaar te houden. In 1874 wordt door de firma Pereboom & Leijser uit Maastricht de windvoorziening nog vervangen, maar in 1889 moet het Severin-orgel, dan bijna 230 jaar oud, buiten gebruik gesteld worden en vervangen door een harmonium.
De tijd is rijp voor een nieuw orgel. Helaas zijn de financiën daarvoor echter niet aanwezig. Kannunik Gustave Verzijl, oud-Venlonaar, ontpopt zich als de grote promotor achter het nieuwe orgel van de St. Martinus. Hij weet bij de Venlose dames Custers en Receveur fl. 5.000,-- los te peuteren. De begroting van Pereboom & Leijser is evenwel fl. 7.800,-- terwijl Stoltenberg nog eens fl. 500,-- begroot voor de orgelkas. Desalniettemin wordt door Pereboom & Leijser in 1890 - 1891 een nieuw mechanisch orgel gebouwd met 19 stemmen, aangehangen pedaal en 2 manualen. De dispositie is typisch romantisch volgens de mode van de 19de eeuw. De uit 1659 -1660 daterende orgeltribune ondergaat een aanzienlijke wijziging. De nieuwe opzet is in neogotische stijl. De oude orgelkas wordt overgebracht naar de St. Nicolaaskerk, een rectoraatskerk van de Martinus in de Venlose binnenstad. In 1902 wordt de orgelkas verkocht. Aan wie en waarheen is onbekend. Het nieuwe orgel wordt op St. Martinusdag, 11 november 1891, in gebruik genomen.
Reeds in 1907 wordt er door de organist, Johann Theodor Wilhelm Geyer, voor veranderingen aan het orgel gepleit. In 1910 komt er met de benoeming van Cornelis de Rooy ( 1886 - 1939) als nieuwe organist per 1 oktober van dat jaar, meer vaart in de zaak. Toch worden de plannen pas concreet in 1920. In dat jaar wordt er bij de firma Seifert in Kevelaer een nieuw pneumatisch orgel besteld. Het aanschafbedrag, ca. RM 425.000,-- lijkt enorm, maar door de hyperinflatie in Duitsland na de bezetting van het Rijnland door de Fransen, zit de Venlose St. Martinus voor een dubbeltje op de eerste rang. Het op 24 februari 1924 ingewijde orgel heeft 51 sprekende stemmen, 3 manualen plus pedaal. Het derde manuaal is uitgebouwd tot 68 toetsen, de overige manualen hebben 56 toetsen. Behalve de sprekende stemmen zijn er zes vaste en drie vrije combinaties, elf koppelingen, een rolzweller en diverse drukknoppen en voettreden. Het is een Duits, romantisch instrument. Het 30 jaar oude Pereboom & Leijser-orgel wordt verkocht aan de St. Hippolytuskerk te Delft vanwaar het in 1950 overgaat naar de St. Johannes Geboortekerk in Wageningen. Seifert verzorgt het onderhoud tot 1942, als ten gevolge van de oorlog de firma Verschueren uit Heythuijsen met het onderhoud wordt belast tot de totale verwoesting van het instrument door brand, na een bombardement op 5 november 1944.
Kort na de bevrijding van Venlo, op 1 maart 1945, betrok de St. Martinusparochie de voormalige kloosterkapel van de paters capucijnen, bekend als de Minderbroederskerk. Er wordt hier gekerkt tot de herbouw van de Martinus zover gevorderd is, dat men Kerstmis 1948 deze kerk weer kan betrekken. In de noodkerk wordt in de zomer van 1945 door de firma L. Verschueren het uit 1929 daterend orgel van de R.K. kerk in Dalfsen geplaatst. Het orgel met pneumatische tractuur krijgt een andere dispositie en nieuw pijpwerk. Uit financiële overwegingen en door materiaalgebrek zijn bij de meeste registers van het groot octaaf de pijpen van zink gemaakt. Dit orgel kostte fl. 5.600,-- en wordt in juni 1950 aan St. Josephkerk te Hout-Blerick verkocht.
Op 9 april 1950 keurt het kerkbestuur van de St. Martinus het definitieve plan voor de bouw van een nieuw orgel goed. Men heeft zich van tevoren op diverse plaatsen goed geïnformeerd. Het nieuwe electropneumatische orgel dat de firma L. Verschueren gaat bouwen omvat 50 registers, 3 manualan en pedaal, en voetwerk van 30 tonen, een hoofdwerk van 56 tonen, een rugwerk van 56 tonen en een zwelwerk van eveneens 56 tonen. Het beschikt over 9 koppelingen, drie vrije en een aantal vaste combinaties. Het orgel is geplaatst in de speciaal daartoe door het architektenbureau Kayser - de Bruyn ontworpen nis in de toren. Het rugwerk of het z.g. balustrade-orgel is als verkleining van het grote werk in de balustrade geplaatst. Het orgel werd Kerstmis 1952 met een speciale, door Hendrik Andriessen gecomponeerde mis, “Te Deum Laudamus” in gebruik genomen.